elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: staltijd

staltijd , [tijd waarop vee gestald wordt] , staltijd , (mannelijk) , staltijden , de tijd om het vee te stallen. Staltijd houden. In den regel kan de staltijd niet bepaald aangegeven worden, omdat die van bijzondere omstandigheden afhangt; veelal verschilt de staltijd met ieder jaar.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
staltijd , staltijd , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , De tijd waarop het vee gestald wordt. || Staltijd houwe (het vee op stal brengen tegen de winter).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
staltijd , staltoid , zelfstandig naamwoord de , 1. Tijd waarop het vee gewoonlijk op stal wordt gezet. | ’t Wordt dut jaar ’n vroege staltoid. 2. Tijd gedurende welke het vee op stal staat. | ’t Het ’n veuls te lange staltoid weest deur al die nattighoid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal