elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: steigeren

steigeren , steigeren , (intransitief werkwoord) , stollen, dik worden, het gesmolten vet begint te steigeren, bekoelt en wordt dik: het steigert.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
steigeren , staigêrn , steigeren; ook = opspringen, vooral van menschen, ook van dieren; de jōng staigert tegen mie op; de hond staigert tegen de boom op. – Als zelfstandig naamwoord = steiger, en staat dan voor steigering. Vgl. wat den vorm betreft: missing, riggeling, en omgekeerd: reken = rekening; tijken = tekening, enz. Zie ook: muren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steigeren , staigern* , vgl. missing *, riggeling *, alsmede: ing .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
steigeren , stäigeren , steigeren van een paard; in steiger zetten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
steigeren , steigern , staigern, staaigern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook staigern, staaigern (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. steigeren Dat peerd schrök en begunde te steigern (Eex), As het peerd niet trekken wol, gung ie steigern (Wsv), (fig.) Aj dat tegen hum zegt, begunt e drekt te steigern (Sle), Hij staigert er wat tegen in hij maakt bezwaren (Eel), Tegen wat steigern onwillig zijn iets te doen, ook gezegd van aangeschoten stuk wild, dat uit de koppel opvliegt om terstond neer te ploffen (N:Zuidwest-Drenthe) 2. met grote passen lopen Hij steigerde langs de trambane (Hgv), Hij kwam der ansteigern mit een gezichte, det hij wel èven de woorheid zul zeggen (Bro), (...) hij steigerde zachies op huus an (po)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steigeren , steigern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = steigers maken Wij moet steigern, anders kuw der niet meer bij (Zwin), (zelfst.) Het steigern is nog slimmer dan het metseln (Pes) *Ie mötten mit steigern net zoveule verdienen as mit dekken het mindere werk moet ook gedaan worden, evenals het mooie werk (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steigeren , steigeren , steigeren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
steigeren , steigeren , werkwoord , 1. steigeren: van paarden 2. met grote passen lopen 3. (van mensen) verontwaardigd tegen iets ingaan, zich flink tegen iets verzetten 4. een steiger maken in bet. 2
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
steigeren , steigere , werkwoord , zich -, lopen, verwaand, steigeren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal