elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stiek

stiek , stiek , (mannelijk) , stieken , vaste dienst, vast werk. Dat is een beste stiek. Hij vraagt naar een stiek bij den heer A., daar zijn nog een paar mooie stieken te vrijen. Een vaste stiek is vrij wat beter dan los en onzeker werk.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
stiek , stiek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Betrekking, dienst, als knecht. || Een stiek zoeken. Hij is zen stiek kwijt. Zen stiek bevalt ’em niet. ’En vaste stiek is vrij wat beter as los werk. We moeten ’em an ’en stiekie helpen. Die jongen heb ’en voordelig stiekie. Der benne ’en paar mooie stieken te krijgen op de nuwe fabriek. – Soms ook: werk. || ’t Is ’en koud stiekie, zo ’s winters op ’et veld werken te moeten. – Evenzo in geheel N.-Holl. (BOUMAN 103). Vgl. ook VALCOOGH, Chron. v. de Sijpe 66: (Er werd veel vis in de Zijpe gevangen) “Maer doen die visschers om die stiecken keven En haet en nijt tegen malcander gingen suycken (zuigen), Doen benam God haer den zegen in corten tijt.” – Het woord wordt nog veelvuldig gebruikt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stiek , stiek , m , stieke , stiekske , elastiek(en), elastiekje; weckring ’ne stiek um de sök Een weckring om de kousen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stiek , stiek , zelfstandig naamwoord de , 1. Vereniging. | Je hadde in de oorlog de ‘Westfriesche Stiek’, 2. Rayon. Vgl. bullestiek. 3. Betrekking. | Het ie al ’n âre stiek vonden? 4. Karwei, koude, lange tocht. | Ik vind ’t maar ’n kouwe stiek. Het woord is zeer waarschijnlijk Een variant van stek, verwant met het werkwoord steken. De oorspronkelijke betekenis van stek is: (spits toelopende) paal, pin, stok die in de bodem werd gestoken ter afbakening van een bepaald gebied. Vgl. mogelijk visstek: uitgezochte, min of meer afgebakende plek om te vissen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stiek , stiekske , elastiekje. ook “rekske”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
stiek , stiek , zelfstandig naamwoord, mannelijk , stieke , stiekske , elastiek
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal