elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stijg

stijg , stiige , twintigtal. De Gothlanders tellen bij stiigen en zeggen fyra stig, vier stiigen, tachtig, hetwelk de Franschen woordelijk in het Latijn overgebragt hebben door quatuor viginti, quatre vingt, [Eng. four score = 80, vier insnijdingen op den kerfstok.] Stige is in eene menigte van Germ. dialekten, een ladder, steeg. In dien zin zeggen ook de Geld. voor twaalf gas, [gasse, steeg]; beide in den zin van reeks.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
stijg , stijg , (mannelijk) , stijgen , ligte zwelling van een ooglid. Hij heeft een stijg op zijn oog. Door een haartje van het aangedane ooglid uit te trekken is de stijg verdwenen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
stijg , stieg , stiege , twintigtal: ’n half stieg daog, joar. Gron. Overijs. stieg, stiege, Kil. stijgh, Oostfr. Neders. Westfr. Nederd. MNederd. Oudfr. stige, Opperd. Hess. steige, Midd. Lat. stega, stica; Friesch Deensch snees, Noordfr. snichs. Volgens ten Doornkaat oorspronkelijk één met het OHD stiga, in de beteekenis van: hok, kooi, stal, afsluiting, stalling voor schapen; varkens, enz., waaruit verder: een bepaald getal klein vee, tot dat dit eindelijk in de beteekenis van: twintigtal, overging.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stijg , stîge , (vrouwelijk) , twintig, vgl. het versje: Lange, lange rîge, / Twintig in de stîge, / Dartig in den rozekrans, / Veertig in den poppendans.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stijg , stiek an ’t oog , soort van zweer of puistje aan een ooglid, hordeolus. Neder-Betuwsch padoog, elders: windje; Zuid-Limburg war, Friesch stieg, Zuid-Holland weegscheet, elders strontje; West-Vlaamsch weeroog, zwijnpuistje; Oostfriesch wressem, stiger, Kil. stijghe, weerooghe, Hoogduitsch Gerstenkorn auf dem Auge, Engelsch styan, sty, stian, Nedersaksisch stige, stieg – Oud-Friesch sweng, swing = slag; swarta sweng = een slag waardoor het verwonde deel zwart of blauw wordt. – stiek, voor: stieg, stige, van: stijgen, in den zin van: zwellen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stijg , stieg , stiege , in geschrifte stijg = twintigtal, alleen bij het tellen van eieren, dakschooven en bossen; ’n halfstieg aier, enz.; ook: ’n halfstieg joar = ongeveer tien jaren, indien er van het verleden of de toekomst sprake is. In advertenties o.a.: 100 stieg spreiriet – “p.m. 300 stijg dekriet”. Drentsch stieg, stiege; ’n half stieg daog, jaor, enz.; Overijselsch stieg; Kil. steghe, stijgh; Oostfriesch, Nedersaksisch, Westfaalsch, Middel-Nederduitsch, Oud-Friesch stige, Opperduitsch, Hessisch steige, Middeleeuws Latijn stega, stica, Friesch, Deensch, ook Westfaalsch, Noordfriesch snichs. ten Doornk. acht het waarschijnlijk één met het Oud-Hoogduitsch stiga, met de beteekenis van: hok, kooi, stal, afsluiting, stalling voor schapen, varkens, enz., waarvan o.a. Hühnersteige, waaruit verder: een bepaald getal klein vee, tot zij eindelijk in die van twintigtal overging. Of: van een Middel-Nederduitsch stige, in de beteek. van: hoop, van: stijgen = zich verheffen, en oorspronkelijk zooveel als: ophooging, verhooging, enz., ophooping van enkele voorwerpen. Zie aldaar art. stige. (v. Dale: stijg, en: snees = twintigtal.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stijg , stijg , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zweertje op het ooglid, gerstekorrel, strontje. || Hij heb ’en stijg op zen oog. Trek ’en haartje uit ’et ooglid, dan gaat de stijg weg. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 103), en in het Stad-Fri. in de vorm stieg (Taalgids 9, 299; O. Volkst. 2, 179). Reeds KIL. vermeldt: stijghe, Holl. j. weerooghe, hordeolum. In Oost-Friesl. zegt men stiger (KOOLMAN 3, 313 b).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stijg , stieg* , “stijg” ook bij v. Dale, evenals “snees.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stijg , stijgje , strontje op het oog: paddescheet, wegescheet.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
stijg , stiige , vrouwelijk , twintigtal
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stijg , stiege , stijg (20 stuks)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stijg , stieg , stoig , zelfstandig naamwoord de , Zweertje op het ooglid. Vgl. Fries stiich. De herkomst van het woord – dat men wel afleidt van het werkwoord stijgen – is onzeker. Zie het N.E.W. onder stijg-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stijg , tieg , de , 20 eieren (Wtv), zie ook stieg
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stijg , stieg , stiege, stegel, stiegel , de , Ook stiege (Zuidoost-Drents veengebied), stegel (Zuidwest-Drenthe, zuid), stiegel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 20-tal Veur een kwartien haj vrogger een stieg eier; nou koop ie der niks meer veur (Hgv), inz. in het rijmpje bij het lopen in een lange rij, met verschillende spelvarianten Lange, lange riege / Twentig in de stiege / Dartig in de ummegang / Trek der mor iene van dan moest de voorste naar achteren en begon het spel van voren af aan (Ndo), ook Lange lange regel / Twintig op een stegel / Twintig op een kale kop / Zet er nog mar ene op (Hol), ...30 op een karkhof / Zet er dan mor iene of (Hgv), ...dartig in de euliekan... (Eri), ...Daartig is een ooievaor / Jampie, Jampie wat döstoe daor je loopt in een lange rij naast elkaar hand in hand. Aan het eind van het versje moet degene, die rechts aan het eind loopt, afhaken en aan de linker kant gaan lopen (Zui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal