elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoetel

stoetel , stoetel , (mannelijk) , stoetels , stoethaspel, onredzaam mensch, een dom werkman. Het is een regte stoetel, die alles door elkander haspelt. Het gaat er vrij stoetelig bij langs.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
stoetel , stroetel , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Hetz. als stoetel. Dreutel, dom en onhandig persoon. || Zo’n stroetel!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoetel , stoetel , zelfstandig naamwoord de , 1. Stuntelaar, stakker, iemand die moeilijk loopt. 2. Onhandig persoon, lummel, stommerd. De herkomst van het woord is onzeker. Mogelijk bestaat er verband met stoten of stuiten. Zie het N.E.W. onder stoethaspel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal