elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: struinen

struinen , strunen , (intransitief werkwoord) , spionneeren, verspieden, snuffelen, schuimen. Hij gaat weer te strunen, ze hebben al dikwijls hier in het rond gestruund. De beteekenis is niet slechts rondsnuffelen en heimelijk zoeken, of er ook iets te kapen is, maar wel vooral wegrooven, ontvreemden. Van daar zegt men ook dikwijls: ze hebben alles weggestruund.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
struinen , strü̂̂nen , (zwak werkwoord) , stroopen, stelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
struinen , streunen , “wat zel ʼe zōk streunen!” = wat zal hij zich verheugen! Vgl. Middel-Nederduitsch stronen = smukken, tooien; Oud-Saksisch gistriunid, Middel-Nederduitsch gestronet = opgesmukt, met sieraden behangen; Oud-Hoogduitsch striuni, Latijn struere = uitrusten, bouwen, stichten; Beiersch streuner (Groningsch struner, struunder), en: streun = persoon die rondsnuffelt naar een lekkeren beet of andere kleine genoegens; streunen = op verdachte wijze rondsnuffelen om iets machtig te worden. Vgl. ook: strunen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
struinen , strunen , schuimloopen, stroopen, rondsnuffelen om te kapen; ook Oostfriesch; deurstrunen = doorsnuffelen zonder verlof van den eigenaar; ofstrunen = rondsnuffelen van den omtrek met het doel om iets te bemachtigen waarop men geen recht heeft. Wordt ook van dieren, inz. van honden en katten gezegd; – noastrunen = rondsnuffelen, binnen ʼshuis; omstrunen = rondsnuffelen buiten ʼshuis. (Friesch omstrune = rondsluipen, loerend rondzien); verstrunen = onder het vreten verstrooien. Oud-Saksisch striunjan, Oud-Hoogduitsch striunan, Angel-Saksisch streónan, strŷnan (= strunen), ʼt welk van: striuni, Angel-Saksisch streón, in ʼt Oud-Hoogduitsch kastriuni (voordeel, winst), Oud-Saksisch gistriune, Angel-Saksisch gestreón, Oud-Engelsch streon, strên (bezitting, goed, have, schat, kostbaarheden) afstamt en uit de beteekenis: verdienst, voordeel, winst trekken of verwerven, Middel-Hoogduitsch striunen, Beiersch streunen, in die van: het land afloopen om kleine rooverijen te plegen, rondloeren om iets te bemachtigen, enz. overging. Zie ten Doornk. art. strünen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
struinen , struinen , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast zelden strunen. Rondsnuffelen, zoeken of men iets van zijn gading kan vinden, en vandaar ook: kleinigheden kapen. || Ze loopt altijd te struinen. Zit niet zo in die laad (lade) te struinen. – Evenzo elders in N.-Holl. (zie BOUMAN 104: strunen), alsook, in de vorm strunen, in Friesl., Gron. en Oost-Friesl.; vooral in Friesl. ook in de zin van ter sluik ronddwalen, om iets te beloeren (zie SCHELTEMA Mengelw. IV3, 57 vlg. en 193; DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 198; MOLEMA 411 b; KOOLMAN 3, 347 a). Struinen komt ook in oudere Holl. geschriften voor, b.v. bij VAN VLOTEN, Ned. Geschiedz. 2, 1 (uit het Geuseliedtboek): “Al loopt de vos veel struynen, sijn hol wort nu te leech, met hem ist daerom gheen deech”. – Het woord is één met Mhd. striunen, snuffelend rondlopen. – Vgl. gestruin en de samenst. nastruinen, omstruinen, rondstruinen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
struinen , strunen , 1. alles doorzoeken 2. uit de weide breken van vee
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
struinen , strune , streune , werkwoord , Struinen, rondsnuffelen, zoeken naar iets dat van zijn gading is. Vgl. Fries strune. | Wat zit je toch in die laad te strunen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
struinen , strunen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. zwerven, struinen, niet altijd met goede bedoelingen Hij lop ok overal te strunen (Vri), Wij zaten de hele dag in de bossen te strunen (Hol), Het was een loer um de keet, die aaltied bij aandern um hoes struunde (Ndo) 2. zoekend rondlopen Der bint sommigen, die meugt geern hier en daor rondlopen te strunen (Bui) *Een strunende hond vindt altied wat (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
struinen , strunen , werkwoord , 1. struinen: spiedend rondlopen, vaak: om dat te zien wat niet bedoeld is om door anderen gezien te worden, bijv. in Wat moet die daor te strunen? 2. op opdringerige wijze bij iemand in de gunst proberen te komen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
struinen , strunen , (werkwoord) , strunen, estruund , 1. struinen; 2. gappen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
struinen , strèùne , werkwoord , strèùne - strönde - geströnd , WBD III.1.2:124 'struinen' = verdacht rondlopen; ook: 'sluipen' 'gluipen'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal