elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: til

til , til , (vrouwelijk) , tillen , draagbare brug, beun, plank, in de zoogenoemde oude landen onmisbaar. Zie op post.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
til , til , brug. Order en Reglem. op het onderhoud van wegen; art. 2,5: behoorlijk onderhoud van Tillen, enz. Gron. til, tille = brug, vaste brug van hout of steen. Old. Landr. p. 22: Tillen en Weghen. Kil. tille = brug, bruggetje; Friesch Oudfr. tille = kleine brug, Oostfr. tille, til = brug, Noorsch tilja = planken brug. Zw. tilja = deel, plank. (v. Dale: til, tille = ophaalbrug.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
til , til , dracht, vracht, ’n til an hebben = wat moeilijk is op te tillen, ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
til , til , tille , brug, vaste brug van hout, ook van steen. Op het Hoogeland o.a. de vaste houten bruggen: Abelstokstertil (als plaatsbepaling enkel Oabelstok), de Leenstertillen, Biewketil, Haantil, Scheeftil, Ellerhuistertil, Pomptil; in ’t Oldampt (Winschoten): Engelsche til en Porttil, de eerste eene houten, de laatste eene steenen brug, in 1882 opgeruimd; Kloostertil (te Heiligerlee); in ’t Westerkwartier Steentil (klemtoon op: til), eene groote steenen brug over het Aduarderdiep; te Groningen de voormalige Steentilpoort, enz. – Old. Landr. bl. 22: Tillen en Weghen; Kil. tille = brug, bruggetje; Drentsch til = brug, ook Oud-Drentsch; Friesch til, tiltsje = kleine houten brug; Oud-Friesch tille = kleine brug; Oostfriesch tille, til = brug; Noorsch tilja = planken brug; Zweedsch tilja = plank, deel. – Had men voorheen over tochten en afwateringen slechts planken of delen noodig, in allen gevalle slechts losse bruggetjes die men naar goedvinden kon verplaatsen, bij de verwijding der kanalen, vooral ten behoeve van landbouw en scheepvaart werden grootere en sterkere bruggen noodzakelijk; den ouden naam bleven zij echter behouden. (v. Dale: til, tille = ophaalbrug.) Zie ook onder art. tielens.
tilje, kleine brug, verkleinwoord van: til. “De Burg. der Gem. Bedum maakt bekend, dat de kleiweg, loopende van den Noorderwolddijk tot aan de grens der Gem. Middelstum, wegens herstelling van een tilje, van heden af tot nadere aankondiging is gestremd.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
til , til , dracht, vracht; da’s ’n swoare til; ook Drentsch.
in til = op til, aan de hand, in de maak; Hooft: in ʼt til; Nedersaksisch: daar is wat in dem til. (v. Dale: er is iets op til = er is iets in beweging, er moet of zal iets gebeuren.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
til , til , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Te Jisp en Wormer ook: ophaalbrug. || Hij woont bij de til. Weegens de groote onordentelijckheeden, dewelcke dagelijcs gepleegt werden aan de gemeene dorps tillen ofte wipbreggen, Hs. keur (a° 1687), archief v. Jisp. – Ook elders in N.-Holl. bekend. Hs. Kool vermeldt: tille, bruggetje, overgang over een smal water. Volgens BOUMAN 105 is til in de Beemster een draagbare brug, een beun of plank om over een sloot te leggen. Ook in andere streken, ook buiten ons land, is het woord in gebruik; zie b.v. MOLEMA 422 en KOOLMAN 3, 411. – Vgl. Middeltil en Tilsloot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
til , til* , bij v. Dale til, tille = ophaalbrug, valdeur.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
til , til , (ouderwets), vaste houten brug of in boogvorm gemetselde brug
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
til , til , zelfstandig naamwoord de , Ook: houten brug, houten stellage in het water. Mogelijk is het woord een variant van deêl = plank. Vgl. Fries tille. Het woord komt o.a. voor in de Alkmaarse straatnaam Houttil.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
til , til , zelfstandig naamwoord , in de boerderij de zoldering boven de koeien, met daarop de slaapplaats voor de knecht maar ook wel voor de (oudere) boerenzoon, de zogenaamde *slopstal (KRS: Lang, Werk, Bunn. Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 128). Zie Daan (1952): til komt voor in het westen van Utrecht, het oosten van Zuid-Holland en het gebied tussen de grote rivieren.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
til , til , tille , de , tillen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe). Ook tille (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. bruggetje As hie het mor an de til brengt, haalt wij het daor wal met de peerde vort (Sle), De til over de sloot (Zey) 2. cementen buis onder een dam door (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Der zit een knien in de til under oous dammegie (Eex), De tille onder de dam (Hol), z. ook duker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
til , til , de , 1. het tillen, hijs Dat wordt nog een heeile til um die kaast op zolder te kriegen (Eex) 2. in op til op komst Der is zwaor weer op til (Nije), Der is slecht weer op til, daor giet een bochel langes (Ruw), Ik geleuve dat daor ook wat op til is dat er een baby komt (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
til , til , de , tillen , duivenhok Ie hebt een mooie til veur joen doeven (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
til , til , zelfstandig naamwoord , de 1. het tillen, in: een hiele til 2. (van weersomstandigheden) in op til in aantocht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
til , tille , zelfstandig naamwoord , de 1. bruggetje, vooral nog in namen van oude bruggetjes als de Hauler tille, Bekhofstille 2. drijftil
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
til , til , zelfstandig naamwoord , tille , tillechie , [O] 1. zolder in een boerenschuur, meestal boven een andere zolder (vliering) 2. zolder boven een koeienstal
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal