elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tochtig

tochtig , [winderig, vochtig, ritsig] , tochtig , togtig , wordt hier gebruikt voor vochtig, van linnen, papier en dergelijke zaken, welke vocht naar zich trekken, doch van geene andere, waarom ik oordeele dat
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tochtig , togtig , (bijvoeglijk naamwoord) , rijend, stierziek, bulsch, Zie bulsch.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tochtig , tochtig , bijvoeglijk naamwoord , Paarlustig (van koeien). Vgl. Van Dale.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tochtig , tuchtich , geslachtsdriftig.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tochtig , tuchtig , bijvoeglijk naamwoord , geslachtsdriftig (bij runderen) (KRS: Hout; LPW: Lop) Vergelijk het Nederlandse tochtig . De Vechtstreek heeft ook tuchtig (Van Veen 1989, p. 131) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
tochtig , tochtig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. tochtig Het is hier altied tochtig, het riwwert mij aover de rugge (Hgv), Dat is een tochtig huus (Ktv) 2. bronstig Het schaop is tochtig, wie meut der mit naor de ram (Bco), Dat is een lösbandige koe, die is altied tochtig (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tochtig , tuchtig , tochtig (van koeien).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tochtig , tochtig , bijvoeglijk naamwoord , (van koeien) tochtig, bronstig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tochtig , tuchteg , bijvoeglijk naamwoord , tochtig, bronstig (gezegd van koeien)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
tochtig , [bronstig] , töchtig , bronstig, gezegd van koeien , Die koe is töchtig.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tochtig , täög , bijvoeglijk naamwoord , täöge , paringsbereid (van een paard)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
tochtig , töchtig , bijvoeglijk naamwoord , töchtige , tochtig, paardriftig, bronstig (van een koe)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
tochtig , tuîchtig , tujchtig, töjchtig, töchtig, tuchtig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eerste tweede en derde vorm Ospels; vierde vorm tweede Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, vijfde vorm Weerts (stadweerts); tochtig (koe)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal