elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tod

tod , todden , oude vodden. Isl. tötr, versleten goed, vodde. Eig. wat afgesleept is.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tod , tod , (vrouwelijk) , todden , todje, zuiglapje met suiker gevuld, hetwelk men jonge kinderen in den mond steekt, eene bakers uitvinding.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tod , tòdde , (vrouwelijk) , tòdden , lap, tod, vod.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tod , toltien , (Stad-Groningsch); ’n old toltien = een oud lapje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tod , tòdde , (mannelijk) , Vod, waardelooze lap, lor. Samenst. zuptòdde – zuiplap.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tod , tad , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Todde, vod, lap. || Wat is dat ’en tadje. Gooi die tadden maar weg. – Eertijds ook: iemand bij de tadden vatten, hem bij de kladden krijgen, beetpakken. || (Het bleek dat deze vrouw kleren gestolen had), daerom by de tadden gevat, wierdt geleydt op ’t hooft van ’t Amsterdamsche Veer. N.-Holl. Ontrust. 158. – Het woord komt ook bij verschillende 17de-eeuwse Holl. schrijvers voor; zie OUDEMANS 7, 1 en DE JAGER, Freq. 2, 652 vlg. – Vgl. tadderig. 2) Smerig wijf. || Zo’n tad; je zouwe der mit gien tang an raken. – Ook in deze zin in oude Holl. kluchten; zie t. a. p. – Vgl. tod.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tod , tod , (tòt) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onzijdig) , 1) Vod, vuil of nietswaardig ding. || Gooi dat tod maar weg. ’t Benne todden. – In deze zin algemeen Ned.; zie DE JAGER, Freq. 2, 652. – Vgl. toddig. 2) Smerig wijf. || Die tod! ze is te vies om an te raken. – Evenzo bij vroegere Holl. schrijvers; zie DE JAGER, t.a.p. 653. Vgl. tad. 3) In de Wormer. Dot, lapje met suiker gevuld, waarop men kleine kinderen laat zuigen. || Doen die tod uit zen mond. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 106).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tod , tod* , (bij v. Dale = lomp, vod), eigenl. “dot” = bos, bundel, prop; vergel. het Hoogduitsch Zotte = vlok wol of haar.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tod , tòdde , (mannelijk) , Vod, waardelooze lap, lor. Samenst.: zuptòdde – zuiplap.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tod , todde , vrouwelijk , vod. Todden: lompen, vodden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tod , torre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , 1 slechte vinkenslag, 2 oude lap, 3 slordige vrouw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tod , tod , m , todde , tödje(s) , lomp, vod; klungel, slecht of niet werkend voorwerp; todde todden Tusse de todde krupe Tussen de todden kruipen, naar bed gaan; lijf Langs of op mien todde kriêge. Slaag op mijn lijf krijgen; tödje (poets)lapje Vat ’s ’n töd
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tod , tod , tad , zelfstandig naamwoord de , 1. Tod, vod. 2. Smerig wijf. 3. Met suiker gevuld lapje waarop men een baby liet zuigen. Meervoud todde, in de zegswijze todde en belle, vodden en lorren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tod , tòt , versleten stuk doek of stof.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tod , todde , 1. smerige vrouw. 2. een oud stuk textiel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
tod , todde , todden , tod, vod.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tod , tadde , tarre , de , tadden , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook tarre (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. vlies op melk (Zuidwest-Drenthe) Der zit tadden in de koffie (Hav) 2. kern van een gezwel (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) As de tarre der maor uut is, wordt het beter (Dwi), z. ook tabbe, tap II, pit 3. oogvuil (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Hij hef de slaop ok nog lang niet oet, hij hef de tarren nog in de ogen (Hijk), z. ook kladde
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tod , todde , torre , de , todden , Ook torre (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe in bet. 2. en 3.) = 1. vod, lor Wat die anhef, bint allemaole lorren en todden (Geb), Gooi die todde toch vort (Bal), Hinnerk sleug de ruumhaak achter de todden en wupde ze op de kaant graspollen (sm) 2. smeerpoets (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) Wat is dat ain todde van een wief (Twe) 3. (vaak verkl.) kleine hoeveelheid Wij kunt het heui niet holden, der blif nog een toddegien over (Sle), Der lig nog een torre heui (Eco), z. ook torregien 4. kern van een ettergezwel (Zuidoost-Drents veengebied) Een kuken of een torre (Eri), z. ook kedodde, tabbe, tap II, tiek I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tod , tót , ook taót, mv. tódden, vod, lap, lor. verkl. tödje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tod , tòdde , vod, poetslap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tod , todde , vod.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tod , tarre , zelfstandig naamwoord , de 1. kern van een ettergezwel 2. zie todde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tod , todde , tadde, tarre, torre , zelfstandig naamwoord , de 1. bel snot die uit de neus hangt 2. toddik, vieze, smerige, vaak dikke vrouw 3. vrouw die andere mannen gemakkelijk gelegenheid geeft 4. vod 5. vetrandje of pezig randje aan vlees 6. vlies op melk 7. kleine hoeveelheid van iets, bijv. hooi
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tod , todse , tjodse , zelfstandig naamwoord , de 1. smerige vrouw 2. dikke vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tod , tod , vod
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tod , todde , (zelfstandig naamwoord) , 1. tod, vod, lor; 2. lapje katoen met suiker gedoopt in brandewijn; 3. smerige vrouw, slons; 4. kind. Wat een läkkere todde.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tod , tùdje , todje, vodje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
tod , tod , todde, torre , 1. vod, oude of versleten lap; 2. rafel; 3. zakdoek; 4. kleding; 5. kleine jongen of klein meisje; 6. smeerpoets.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tod , tod , zelfstandig naamwoord , vod (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
tod , tòd , zelfstandig naamwoord , tòdde , töddeke , "vod, lomp; eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld door Cees Robben otoegepast op schoenen: Cees Robben – ’t Zèn todde.. (19720421); Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau tòd = Laur. Janssens (blz. 46); töddeke; verkleinwofrd van tòd doekje; Gift es gaa en toddeke. Cees Robben - 'en 't zwiepte as 'n tötje ...""; WBD III.3.1:307 'todje (toddeke)' = snipper (strook papier of stof); CiT (67) 'Gimmis 'n töddeke om dè daf te bune'; WBD III.1.3:17 'todje' - vod; verkleinwoord van 'tòd', met umlaut"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal