elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tof

tof , tof , (bijwoord) , warmpjes, goed verzorgd, veilig en gemakkelijk, eigenlijk veilig, goed gedekt, even als een vogel die zijn nest op eene veilige plaats gebouwd heeft, waar hij zijne jongen ongestoord kan uitbroeien, terwijl hij rustig den kop in de veeren trekt. Daar zit hij tof.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tof , tof , toffer, tofste , bargoens: slim.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tof , tof , bijvoeglijk naamwoord , betrouwbaar Dat is een toffe kèrel (Emm), Hie is niet zo tof neemt het niet zo nauw (Sle), (zelfst.) Derk was niet zo’n toffe (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tof , tof , goed (Hebr.: tauw: goed)
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal