elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trappen

trappen , trappen , (werkwoord) , treden, stappen. , Trap in, trap binnen, trap achter. Gij moet zoo ver niet trappen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
trappen , trappen , (intransitief werkwoord) , treden, beschadigen; als het rundvee met de spitse klaauwen het natte drassige weiland beschadigt, dan zegt men: “de koeien trappen.” Vandaar de spreekwijze: “zij eten met vijf monden.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
trappen , trappen , trappens , (meerv. van: trappen) = treden van eene trap of ladder, sporten. Gron. trappen = trede, en: sport; ook = losse trap, meerv. trappens.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
trappen , trappen , trippen , (zwak werkwoord) , trappen; o.a. in het kinderrijmpje: hip en trip, hip en trip, / hold mi achter an min slip.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
trappen , trappen , (zwak werkwoord) , Zie zegsw. op spijker, en vgl. ondertrappen en betrappen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
trappen , intrappe , werkwoord , in de zegswijze d’r intrappe, in de val lopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trappen , trappe , trapde, haet getrap , trappen, oudere vorm is: traeë. Oppẹ pendaale traeë: flink doortrappen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
trappen , trappen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. trappen, schoppen Vrogger hungen ze een paole tussen de peerden in de stal, dan kunden ze menare niet trappen (Hgv), z. ook trappaol, Dat peerd trapt zuk op de hakken (Wee), z. ook trippen, (fig.) Ie mouten joen femilie nait zo in de grond trappen slecht over ze spreken (Vtm) 2. treden, stappen Veurdaj mit de boekweit naor de meule gungen, mus ze eerst etrapt worden gereinigd in de treebak (Ruw), Ie mossen de boukweite trappen um het kaf der of te kriegen (Bco), Gaar het even op, veur der ene op trapt (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trappen , trappen , vlak trappen, glad trappen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook vlak trappen of glad trappen (Zuidoost-Drents zandgebied) = tweede bewerking van de baggerlaag met kleinere plankjes onder de voeten, z. ook oftrappen, baggeltrappen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trappen , trappen , trampen , werkwoord , trappen, schoppen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: trampen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
trappen , trappen , werkwoord , 1. trappen: plaatsen van z’n voet; iene op ’e ti’jen trappen hem krenken, beledigen 2. lopen (op een bep. wijze) 3. schoppen, al dan niet per ongeluk 4. door te trappen, schoppen in een bep. toestand brengen 5. bewerkingen uitvoeren door te trappen 6. trappers van een rijwiel ronddraaien met z’n benen 7. orgeltreder zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal