elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treilen

treilen , treilen , (transitief werkwoord) , duwen, sturen, leiden, trekken. In het groot schijnt treil in het algemeen het touwwerk van een schip of zeilschuit aan te duiden, en in het bijzonder, dat gedeelte waaraan het vaartuig wordt voortgetrokken: ook in het klein noemt men de lijn waaraan een schuitje of praam wordt voortgetrokken een treiltouw, terwijl het touw waarmede het paard een jaag- of zeilschuit voortrekt, jaaglijn heet. Het eigenlijk treilen bestaat daarin, dat men een schuitje of ander ligt vaartuig met den kloet voortstuwt. De bewonders der naburige oude landen zijn in de kunst van treilen verwonderlijk geƶefend.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
treilen , truleke , treile, druile , werkwoord , Het vanaf de wal voortduwen van een schuit door middel van een vaarboom die in de steven is vastgezet. Vgl. de variant treile en druile die, evenals truleke, teruggaan op Oudfrans trailler, vulgair latijn *tragulare = trekken, slepen. Zie het N.E.W. onder treilen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
treilen , truilen , treilen , werkwoord , treilen (van een vaartuig)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal