elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trentelen

trentelen , trentelen , (intransitief werkwoord) , trappelen. Eene kalfkoe, die op het punt staat haar kalf af te werpen, wordt pijnlijk en onrustig, staat gedurig te trentelen en te trappen, men zegt dan: de koe begint te trentelen, het kalf zal haast komen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
trentelen , trantele , werkwoord , trantel, trantelde, getranteld , drentelen, onrustig van het ene been op het andere gaan staan Toen ’t bêêst mos kalleve stong die anhoudend te trantele Toen de koe moest kalven ging zij aanhoudend van de ene poot op de andere staan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal