elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tukje

tukje , tokje , (onzijdig) , tokjes , middagtokje, kort slaapje; een tokje vangen, een uiltje knippen. Hij tokt te lang, heeft zich vertokt, zal zich vertokken. Een hazentokje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tukje , tukkien , middagdutje
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tukje , tukkien , dutje. Ik hadde emties ’n tukkien edaon.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tukje , tukkien , zelfstandig naamwoord , et 1. tukje, slaapje 2. poosje, in een tukkien warken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal