elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitig

uitig , [uithuizig] , uitig , (bijvoeglijk naamwoord) , uithuizig, veel uit en zelden thuis. Niet zelden wordt door te groote uithuizigheid veel in huis verzuimd. Eene uitige vrouw verspilt veel.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
uitig , uitig , (bijvoeglijk naamwoord) , Uithuizig, dikwijls uit zijnde. || Wat ben-je teugeswoordig uitig. ’En uitige vrouw houdt duur huis. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 109).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
uitig , uitig , uiterig , bijvoeglijk naamwoord , Graag uitgaande. | Ik ben niet zô uit(er)ig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal