elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitveteren

uitveteren , uitveteren , (transitief werkwoord) , uitschelden, hard de waarheid zeggen. Hij heeft hem terdeeg uitgeveterd. Iemand achter den veter zitten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
uitveteren , oetvetêrn , oetfoetêrn, uutfoetêrn , uitmaken, schelden, iemand op eene ruwe manier al wat leelijk is naar het hoofd werpen, Synoniem met: oetmōddêrn. Friesch uutfiterje = uitschelden. (v. Dale: iemand veteren = bekijven.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitveteren , oetvetern* , bij van Dale: veteren, doorveteren.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
uitveteren , uitvetere , werkwoord , Uitschelden, uitkafferen. Zegswijze ientje uitvetere voor honderd en tien, iemand danig uitschelden, de les lezen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
uitveteren , uutveteren , werkwoord , iemand flink de les lezen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitveteren , uutveteren , zie: uutfoeteren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal