elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ven

ven , ven , verwant met veen = water of soort van weiër in de heide.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ven , venne , een klein meertje in de heide.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
ven , ven , (vrouwelijk) , vennen , venland, weiland. Al het grasland dat beweid wordt, heet venland, in onderscheiding van hooiland en bouwland, alsmede boschland, tuinland en etgroen. Hij heeft zijn koeien van het venland afgenomen en op het etgroen gebragt. Het is meestal een artikel in de huurcontracten: jaar om jaar hooien en vennen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ven , venne , (onzijdig) , veen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ven , venne , (vrouwelijk) , klein meer in de heide.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ven , ven , venne , in ’t algemeen zooveel als: groenland, grasland, en in ’t bijzonder: een stuk weideland. (Swaagm.: venne, een stuk weiland). Op ’t Hoogeland: olle vennen = stukken zeer oud grasland; olle vennen omscheuren = oud grasland omploegen. Friesch fenne = eene kamp of een stuk land nabij de boerenwoning; bij H. Kremer bl. 170: hooge vennen bij Noordhorn. Oud-Friesch fenne, venne = groenland, weiland; etfenne = weiland, (eth = weide). Bij Wachter eigenlijk zooveel als: moeras of moerassige plaats; Oostfriesch fenne, fenn’ = laag weideland met moerassigen of veenachtigen ondergrond; etfenne = groenland, tot weide gebruikt; West-Vlaamsch venne = meerschagie, vochtige weide. (De Bo). Oldenburgsch fenn = weideland; Ditmarssum fenne, een met eene breede sloot omgeven stuk land. Eigenlijk: fen (ven, venne) = veen; Angel-Saksisch, IJslandsch, Zweedsch fen, Engelsch fenn, Gothisch fani = weeke bodem, modder, slijk; Kil. ven, venne = poel, moeras; veenen, moerland = moerasgrond. Bij Gijsb. Japix: finne, in tegenstelling van: miede (made), waar gemaaid wordt; Noord-Brabant ven = lage weide. In Winschoten heeft men: de Buitenvenne en Binnenvenne, en men zegt daar: op de Venne wonen; ook te Delfzijl de naam eener wijk; “– zoodat bij vele huizen begin van brand is geweest, en van een op de Venne de kap is verbrand,” (Delfzijl 1875). Elders heet het: in de Venne, in tegenstelling van: op de Boute. Op het Hoogeland vindt men een stuk land genaamd de Tilven (klemtoon op: ven); bij Paterswolde heet zeker landgoed Vennebroek. Vgl. Zutfen = Zuidveen; Finland = Veenland.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ven , ven , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In verkl. <i>ventjei>. Weide, stuk land dat bestemd is om beweid te worden. Vandaar als naam van vele stukken weiland. || De Ven of Schermersland (te Wormerveer). De nieuwe Ven (onder Oostzaan). De Groote Ven (te Oost-Zaandam). Oom Japen ventje (op de Koog), Hs. (a° 1735). Petemoeytges ven (te Assendelft, in het Vroonweer), Maatb. Assend. (a° 1635). Vgl verder blokeventje (op blok), bobbel, Boffersven, Bulven, Dijkven, Gouwven, Hammenven, Hoefven, hooiven, Hornven, huisven, Kamerven, Kanesven, Kassenven, Katsven, Keisenven, Kerksven, Keukelven, Kibbeven, Kiefteven, Kijfven, Kloosterven, Knopsven, Koeven, Koogven, Kruisven, Krullenven, Kweekven, Larpenven, Leiven, Lemme-ven, Lille-ven, Lutke-ven, Maadven, Marlingsven, Meienven, Mintjes-ven, Misven, Molenven, Mouwenven, Muizeven, Nesven, Neuvelige ven, Osseven, Overzeesven, papeland, Peetjesven, Plettenven, Poelven, Ramersven, Rijsenven, Roestenven, Roetesven, Schaarsven, schans, Scharnenven, Schaversven, Scheppenven, Schoteven, Slommerven, Spa-ven, Speelven, Stoepsven, Trintven, Tuitven, Veerzenven, Vlietsven, Vogelven, voorven, Vrouwven, zaadven, Zijdven, Zinkven. – Evenzo in geheel N.-Holl., Friesl. (fenne, finne), Gron., Oost-Friesl. enz. (vgl. BOUMAN, MOLEMA, KOOLMAN). In Vlaand. is een venne een lage, vochtige weide (DE BO; zie ook KIL.). In andere Germ. talen beduidt het woord moeras (b.v. Ags. fen, Ohd. fenna). Zie verder FRANCK op veen. – Vgl. ook de afl. en samenst. vennen, venland en Venmad. – In Zaandam is Ventje een straatnaam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ven , ventje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie ven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ven , fennen , zie smeerfennen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ven , ven* , Vennebroek, een landgoed bij Paterswolde; vergel. boute *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ven , ventje , zelfstandig naamwoord ’t , (Veen)weide of weidje. Vgl. Fries fintsje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ven , venne , ven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ven , ven , het , vennen , Vaak verkl. = ven In de vennen zat een bult hondsdraf (Ros), Bij de vennegies is de grond arg moerassig (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ven , venne , vinne , zelfstandig naamwoord , de; weiland, vaak veenachtig; lager gelegen en/of duidelijk ontgonnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ven , venne , (zelfstandig naamwoord) , ven, poel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal