elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vleek

vleek , [klauw] , fleek , (mannelijk) , fleeken , klaauw, scherpe nagels, de kat heeft scherpe nagels aan haar fleeken, muisje wacht u voor de scherpe fleeken van de kat, de kat stak haar fleeken uit naar de gebraden visch. Overdragtelijk pleegt men dit woord ook op menschenhanden toe te passen, houdt u fleeken thuis, als hij het maar eerst in zijn fleeken heeft, dan is er geen loskrijgen aan.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vleek , fleek , vleek , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Soms vleek. Hand. || Hou-je fleken thuis. ’k Mag gien blote fleken zien (nl. zonder er een klap op te geven). Ik heb me vleek bezeerd. ‒ In de Beemster is fleek ook in gebruik voor de klauwen van een kat, alsmede het werkwoord fleken, krabben (BOUMAN 27). In Amstelland zegt men fneek. ‒ Elders moet fleek betekend hebben vlerk, vleugel; vgl. Mnl. vleke, vlieke, Mhd. fleke, flike, pijl, en het door KIL. vermelde vleke, vlinder. Voor de overgang van betekenis vergelijke men Ned. vlerk, dat ook in de zin van hand, arm in gebruik is. Zie verder Tijdschr. 4, 220 vlgg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal