elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlook

vlook , vlook , (bijvoeglijk naamwoord) , ondiep. Een vlook vaarwater, hij is vlook van verstand, het zit er niet diep.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vlook , vlook , flook , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast flook. Een weinig gewelfd, ingebogen, uitgehold, zoals b.v. lage schalen en schotels. || Een vlook soepbord. Ze hebben teugeswoordig zukke vloke pijpedoppies, die springen van de pijp of. – Vandaar vooral in de bet. ondiep. || Een vloke pan. Een vloke schuit. ’t Is hier zo vlook (in een sloot), dat je temet (haast) niet varen kenne. Ik heb toch zukke vloke zakken in me broek. Die krozing (gergel van een vat) is te vlook; we moeten ’em ophalen (dieper maken). – Ook in ruimer toepassing, en bijwoordelijk gebruikt. || (Bij het gort- en rijstpellen:) Een vloke snee (in tegenstelling met: een diepe snee). Vloke gort (gort die niet afgemalen is). De ien pelt veul vloker as de aâr. (Bij timmerlieden van gereedschappen waarmede men sponningen en andere uithollingen maakt:) Mit de vloke schaaf, de vloke beitel schaven (als de beitel zo gezet is, dat hij niet diep in het hout kan dringen). Jongen, je beitel staat veuls te vlook; zo heb-je veuls te lang werk (omdat de beitel te weinig afneemt). Je moete dat kruintje (van een brood) niet zo vlook ofsnijje (niet zo dun); ik lus wel ’en dik stuk. Schep niet zo vlook (wat dieper, niet zo van boven), aârs blijft al ’et dik (van de snert, brij enz.) in de soepketel. – Bij uitbreiding ook van geestelijke hoedanigheden. Niet diep gaande, oppervlakkig, eenvoudig, onbetekenend. || Hij is vlook van verstand. Een vloke jongen (waar niet veel bij zit). Een vlook man. De redenering is vrij vlook. Die zaak zit vlook in mekaar (eenvoudig). – Het woord is ook elders in N.-Holl. in deze bet. bekend (Taalgids 1, 303 en 6, 310; BOUMAN 112; Noord en Zuid 7, 363). Ook bij de 17de-eeuwse Amsterdamse dichters (VONDEL, HOOFT, BREDERO, ANSLO) komt vlook meermalen voor, doch alleen in de bet. een weinig gewelfd of gebogen (van een schelp, een schild, een wan, het uitspansel enz.); zie Taalgids 6, 10 en Noord en Zuid 8, 162 vlgg. – Vgl vlookte.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vlook , flouk , flook, vlook, vlouk , bijvoeglijk naamwoord , 1. Ondiep, vlak, plat. | ’n Flouk sloôtje. ’n Flouke kas(t). ’n Flouk bord. 2. Dom, onnozel. | ’t Is ’n flouk manje. Het woord is waarschijnlijk verwant met vlak. Vgl. Oudengels flóc = platvis, bot, en Engels flookfooted = platvoetig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal