elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuilendig

vuilendig , [vinnig] , vuilendig , (bijvoeglijk naamwoord) , vuilaardig, vinnig, scherp. Het paard slaat vuilendig. Het schaap verstoot een van zijne lammeren, het is er vuilendig op. Een vuilendig wijf, zij snaauwt naar den wind.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vuilendig , voelendig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (N:Zuidwest-Drenthe) = vol gemene streken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal