elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuurvreter

vuurvreter , [onverschrokken persoon] , vuurvreter , (mannelijk) , vuurvreters , een onverschrokken, onbevreesd mensch, wiens woeste aard en sterk gespierde arm voor niets terug deinzen. Een vurig, sterk en moedig paard.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vuurvreter , vuurvreter , iemand die buitengewoon driftig en voortvarend is bij zijn werk, die altijd met grooten ijver arbeidt en daarbij ook naar die verhouding vordert. – Ook zegt men het van kachels die veel brandstof verteren. (v. Dale: vuurvreter, zonder meer.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vuurvreter , vuurvreter , zelfstandig naamwoord , de 1. venijnig, boos iemand 2. fanatieke werker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuurvreter , vuurvrèterd , vuurvrèter , (zelfstandig naamwoord) , 1. vuurvreter; 2. heethoofd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal