elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wamelen

wamelen , wamelen , (intransitief werkwoord) , Zij wamelt, zegt men van eene jonge vrouw, die door belustheid het vermoeden doet ontstaan dat zij zwanger is; meestal wordt dit schertsend gezegd, om de jonge vrouw, die er een weinig over schijnt te blozen, te plagen. Zie op het woord belust.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wamelen , wamelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Van jonge vrouwen. Voortekenen van zwangerschap vertonen, doen vermoeden zwanger te zijn (de Wormer). || Ze wamelt. Vrouwen die wamelen benne belust op alderlei ongewone dingen. – Evenzo in de Beemster (Navorscher 8, 345; BOUMAN 114). – Vgl. Ned. weeps, wekelijk, smakeloos, laf, en kwaps, kwips, ziekelijk, wee, misselijk, naast Eng. (gewest.) wape, bleek (Ned. Wdb. IV, 688 op geeps), met Hgd. wabbeln, heen en weer bewegen (van slappe voorwerpen), vanwaar wabbelig (waarnaast quabbeln en quabbelig), gewestelijk ook wammeln enz. (vgl. DE JAGER, Freq. 1, 855). – Vgl. ook Zaans wiemelen naast wiebelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wamelen , wamele , werkwoord , De eerste voortekenen van zwangerschap tonen, hetgeen zich met name uit in misselijkheid (verouderd). Zie voor de herkomst van het woord het N.E.W. onder wamelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal