elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wanhavenig

wanhavenig , [slordig] , wanhavenig , (bijvoeglijk naamwoord) , haveloos, slordig. Het is een wanhavenig schepsel.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wanhavenig , wanhavend , (bijvoeglijk naamwoord) , Bij vissers en viskopers. Van haring. Wrak, beschadigd, bedorven. || Ik heb nag ’en partijtje wanhavende hêring te koop. – Evenzo in oudere N.-Holl. keuren wangehavend. || Dat de Haringh-koopers van alle wangehavenden Haringh, ende die by de Keurmeesters voor quade ofte wracken Haringh ghekeurt sal werden, sullen korten soo volght ... , Handv. v. Ench. 222 a (a° 1613). – Het woord komt van havenen in de oude bet. van behandelen, verzorgen (Mnl. Wdb. 3, 187) en beduidt dus eigenlijk niet goed behandeld, verwaarloosd. Vgl. wanhavenig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wanhavenig , wanhavenig , (bijvoeglijk naamwoord) , Haveloos, slordig. Zie wanhavend. || ’t Is ’en wanhavenig schepsel. Wat ziet die boel er wanhavenig uit. – Ook elders bekend (VAN DALE).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal