elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wauwelen

wauwelen , waauwelen , wawelen , voor babbelen, onnutte of langwijlige praat voeren. Ik heb het ook wel in den zin van talmen hooren bezigen. onverstaanbaar spreken. Hiervan een wawel
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wauwelen , wauwelen , (intransitief werkwoord) , talmen, treuzelen, dralen. Het is een wauwelaar, hij driegt en talmt en verbeuzelt zijn tijd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wauwelen , wauwelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Meestal in de ook elders gewone bet. van zaniken, kletsen (zie DE JAGER, Freq. 1, 872 vlg.), vanwaar ook het zelfstandig naamwoord wauwel voor kletskous, babbelaarster, doch in de Wormer in de zin van leuteren, treuzelen, dralen. || Wat hebben die kinderen weer lopen wauwelen, dat ze nou pas uit school thuis kommen. – Vandaar ook: zijn tijd verwauwelen, verbeuzelen, en een wauwelaar, iemand die talmt en zijn tijd verleutert. – Evenzo elders in N.-Holl. (Navorscher 8, 345; BOUMAN 115; DE JAGER, t.a.p. 873), in Utrecht en Friesl. – Ook bij leuteren en talmen vindt men deze zelfde overgang van betekenis.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wauwelen , wowwele , bazelen, kletspraat verkopen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
wauwelen , wauwele , werkwoord , 1. Treuzelen, dralen, spelend talmen. | Deurloupe en niet zô wauwele onderwe(e)g, ’oor! 2. Lijzig praten, zeuren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wauwelen , wauele , wauelde, haet gewauelt , kletsen, bazelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wauwelen , wouwele , werkwoord , stoeien (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Met een heel andere beginklank (douwele ) komt dit woord ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 49).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
wauwelen , wauweln , zwak werkwoord, onovergankelijk , wauwelen, zeuren, kletsen Wat ken dat mens ja maal wauweln, ...jauweln, ...jeuzeln (Vtm), Wat zit die daor weer te wauweln (Geb), En dat wauwelt mar deur (Nije), Wat bint die vrouwlu vervelend an het wauweln (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wauwelen , wawele , werkwoord , wawelde, gewaweld, wawelenterre , wauwelen , wawel domme (domme praat) wawel VB: Wawel neet zoe, 't ês toch allemaol mer sjèle gössel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wauwelen , wawwele , wawweltj, wawweldje, gewawweldj , bazelen, kletsen, wauwelen , Wawwel neet zoeaväöl.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wauwelen , wauwele , werkwoord , kletsen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal