elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wrielen

wrielen , [wiegelen] , wrielen , (intransitief werkwoord) , wriegelen, wemelen, bewegen. Hij zit gedurig op zijne stoel te wrielen, tot last van een ander.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wrielen , vriele , werkwoord , 1. nestje, kuiltje maken (bijvoorbeeld door kippen voor zij gaan leggen) (LPW: Lop, Pols) Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 110). 3. (ww) bij elkaar kruipen (LPW: Cab) 4. (ww) de bewegingen van jonge diertjes in een nest: over elkaar heenkruipen, draaien etcetera (LPW: Lop) Zie ook *vriel . Van der Ent (1988, p. 110) veronderstelt dat vrielen is afgeleid van het franse vriller , dat onder andere betekent: ‘in spiraalvlucht vliegen; opkrullen (van draad)’. Al deze betekenissen hebben een element ‘draaien, wentelen’ gemeen.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal