elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zelfegge

zelfegge , [rand van laken of landstreek] , zelfweg , (mannelijk) , zelfwegen , zelfkant, zelfegge, de buitenste kant van laken, linnen enz., de uiterste grens van een landstreek, oord of gewest. Hij woont aan den zelfkant. De naden met zelfweg breeuwen; hij maakt pantoffels van zelfwegen. Zelfweg is misschien verbastering van zelfegge: platweg zegt men zelleweg.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
zelfegge , zelfegge , zelfkant; zie: egge.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zelfegge , zelfegge , (vrouwelijk) , zelfkant.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zelfegge , zelfeg , zelfweg, zelleweg , (zellǝvech, met hoofdtoon op zel) , (zelfstandig naamwoord) , Daarnaast zelleweg en zelfweg, Zelfkant, van goed. || Wat heb dat laken ’en breeje zelleveg. Breeuw die nêden maar mit zelleweg. Van die zelfwegen ken-je best ’en paar pantoffels maken. – Zo ook elders in N.-Holl. (BOUMAN) 117). Evenzo bij de 17de-eeuwse Hollanders. || Een koppeltjen tot stootkant en van de selleveg of esneen, al ien slag, TENGNAGEL, Frick in ’t Veurhuys (ed. 1661), 11. Ook KIL. vermeldt self-egghe naast self-ende en selfkant. Zie verder Mnl. Wdb. II 586 op egge 2.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zelfegge , zölfägge , vrouwelijk , zelfkant
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal