elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zengerig

zengerig , [aangebrand] , zangerig , (bijvoeglijk naamwoord) , aangebrand. Door aanbranden verkrijgt de spijs een wansmaak, zij wordt zangerig. De brij is zangerig, de kost is zangerig, men kan het in de verte al luchten; van daar het spreekwoord: “Zangerig heeft pooten.”
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
zengerig , sangerg , sengêrg, singêrg , (zengerig) = aangebrand; sangerge ook: broadergebrei; sangêrg eten (Ommelanden) = anbrand eten (Oldampt), Stadsfriesch, Noord-Hollandsch sangerig = aangebrand, van melk; Amsterdamsch zangerig, Oostfriesch sengerig, Noordfriesch songerig; de brei is wat sengêrg wor’n. Van zengen = schroeien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zengerig , zangerig , bijvoeglijk naamwoord , 1. Licht aangebrand. | De soep is zangerig. 2. Schrijnend, aanhoudend kloppend of prikkelend. | Kiespoin is ’n zangerige poin. Ik hew zukke zangerige biene.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zengerig , zengerig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , aangebrand As er wat an ebraand is, zegge wij wel: het is zengerig (Hgv), As het zengerig is, is het nog net niet helemaole verbraand (Die), Nou is de brij alweer zengerig, het lig vaste an de melk (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal