elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhanger

aanhanger , anhangĕr , ond. wagen, V, 50.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
aanhanger , anhanger , de , anhangers , 1. aanhanger Die partij hef een diel anhangers (Sle) 2. aanhangwagen De anhanger is hum losschoten (Bov), zie ook anhangwagen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanhanger , anhanger , zelfstandig naamwoord , anhangers , anhangertie , aanhanger, volgeling
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanhanger , [aanhanger] , aanhenger , (mannelijk) , aanhangwagen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanhanger , aanhenger , aanhengers , aanhangwagen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal