elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aardappelgat

aardappelgat , [kuil in de grond waarin aardappels worden bewaard] , earpelgat , kuil in den grond, met aarde en stroo overdekt om daarin de aardappelen te bewaren in den winter, Gron. eerdappelgat.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aardappelgat , eerpĕlgat , aardappelkuil.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
aardappelgat , erpelgat , het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = opslagkuil buitenshuis voor aardappelen, met aarde en stro bedekt Aj de eerpels uut het eerpelgat haalt, muj ze eerst ofkiemen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aardappelgat , eerpelgat , zelfstandig naamwoord , et; gat, kuil gegraven voor het bewaren van aardappelen, bedekt met stro en aarde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal