elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterhek

achterhek , achterhek , Zie hek.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
achterhek , [deel van een wagen, het sluithek] , achterhek , aagterhek , deel van een boerenwagen, het sluithek. Gron. achterrik. Zegsw.: Hij hef het achterhek mee gekregen = hij heeft een blauwtje geloopen, dus: ’t achterhek kriegen = afgewezen worden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
achterhek , achterhek , het sluithek van een boerenwoagen (zie aldaar); ook Drentsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterhek , achterhekke , (onzijdig) , Krat van ’n boerenwagen. Ook Gr. en Dr.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
achterhek , achtĕrhekkĕ , ond. wagen, V. 50.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
achterhek , [krat van boerenwagen] , achterhekke , (onzijdig) , Krat van een boerenwagen. Ook Gr. en Dr.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
achterhek , achterhekke , hek achterop een boerenwagen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
achterhek , achterhekke , hek achterop een (hooi)wagen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achterhek , achterhek , het , 1. uitneembare achterwand, afsluithek, van een boerenwagen Het achterhekke bij vervoer van törf, holt etc. (Zdw), Het achterhek is de achterwand van de langwagen (Sle), Hij had onderweg het achterhekke verleuren (Wsv), Het achterhekke is een deel van de heuirik van de boerenwagen (Koe), zie ook achterschot, achterbred, scheufsel 2. rugleuning van stoel (Zuidwest-Drenthe, zuid) 3. hek aan de achterkant As doe de baisten in de waide dust most doe het achterhekkie ook even dicht doun (Vtm), (fig.) Hij krig het achterhek zijn meisje maakt de verkering uit of: hij loopt een blauwtje (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb, dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterhek , achterhekke , wagenkrat (achterste schot van een boerenwagen), ’t Achterhekke wordt met twee kettns opeholln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal