elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterhuis

achterhuis , achterhoes , achterhuus , het achterste gedeelte van een burgerhuis, buiten kamers, keuken en kelder en dienende tot werkplaats voor de meid en tot bergplaats. (Hunsegoo, Fivelgoo, Oldampt, Westerwolde hoes; Goorecht, Westerkwartier huus = huis.) Zie: oe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterhuis , achtĕrnuus , achter in huis.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
achterhuis , áchteres , zelfstandig naamwoord ’t , Achterhuis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achterhuis , [achterste deel van huis] , achterhuis , zelfstandig naamwoord , bedrijfsgedeelte van een boerderij (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Zie ook *achterdeur en *achterstraat .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
achterhuis , achterhuus , bedrijfsgedeelte van een boerderij.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
achterhuis , achterhuus , achterhuis van een boerderij; * better in ’t achterhuus as in ’t veurhuus: gezegd bij ziekte en doodgaan van vee.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achterhuis , achterhoes , het , 1. achterste deel van woonhuis 2. het bedrijfsgedeelte van de boerderij, schuur De kaaie [koeien] staot in het achterhoes (Nsch), In het achterhuus vien ie de pompstraote en daorachter de dèle, de koegaank mit de hilde derbaoven, de varkenshokken en de peerdestal (Hgv), As de koenen uut bint, mut het achternhuus ook schone (Koe), Het giet hum goed in het aachterhuus hij boert goed (Dwi), Van het achterhuus mut het komen de inkomsten moeten uit het bedrijf komen (Zdw), As het maor in het aachterhuus blif gezegd van ziekte of sterfgevallen liever bij het het vee dan bij de mensen (Die), ook Onheil in het achterhoes is altied nog beter as in het veurhoes (Hijk) en Het is beter in het achterhoes dan in het veurhoes (Ndo) 3. bijkeuken, overgang van woonvertrek naar schuur (N)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterhuis , achterhuus , bijwoord , (tu) = achter het huis Nee, mar achterhuus lig nog wel wat
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterhuis , achternuus , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. in het achterhuis De kiel, die aj achternuus an hebt, muj veurnuus uuttrekken (Bro), Ik heb overal naor de jongen zocht, veurnuus, achternuus, butenhuus (wb:Koe), Van achternuus vanuit de schuur (N), 2. met de klemtoon op de laatste lettergreep: achter het huis (Zuidwest-Drenthe, zuid)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterhuis , aachterhuus , zelfstandig naamwoord , et; achterste deel van een woning, vaak aangebouwd, ook: bedrijfsgedeelte achter aan een woning gebouwd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achterhuis , [achterste deel van een huis] , achteruus , (zelfstandig naamwoord) , achterhuis.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achterhuis , [(gedeelte van het) huis dat niet aan de straat staat] , aachterhuis , soort bijkeuken
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
achterhuis , [achterste gedeelte van huis] , achterhuus , bedrijfsgedeelte van een boerderij.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
achterhuis , aachterhèùs , zelfstandig naamwoord , WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos', 'goot' of 'washèùs' genoemd .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERHUIS zelfstandig naamwoordw, o. - huis dat niet tegen de straat gebouwd is, maar achter de huizen der straat.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal