elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achteruit

achteruit , [achterhuis ] , achteruut , de belendende keuken of kamer van het woonvertrek; ook: het achterhuis, en niet zelden voor: schuurdele; zie ald.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
achteruit , achteroet , achteruut , (klemtoon op oet) = ten achteren in ontwikkeling en beschaving; tegenovergestelde van: veuroet = vooruit; hij ’s lang nijt achteroet = hij kan best meedoen, is goed bij de hand, laat zich niet beet nemen. – Men zegt ook van personen en rijtuigen: zij bin nog achteroet, zooveel als: zij moeten nog komen, zijn nog achter ons; Pijt achteroet = Pieter langzaam. Zie: Goliat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achteruit , achteruit , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Het erf achter het huis; zie Ned. Wdb. I, 723. Ook in verkl. achteruitje. Eveneens in de naam van stukken land, die achter het huis van de eigenaar liggen; vgl. vooruit. || Het Afteruyt (een stuk land in Jan Flooren-weer onder O. Zaandam), Custb. (a° 1740). Noch het achtervuytsventgen (onder Assendelft, in Buitenhuizen), Polderl. Assend. I f° 18 r° (a° 1599). Dat achtervuytsland, ald. f° 18 r° . Vgl. ’t Weer achter Baert Jan Dirck Everts uyt, Gerrit Heyndricks weer achter Cornelis Jan Trijnnen uyt, Maatb. Assend. (a° 1635).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
achteruit , [naar achteren] , achtĕruut , achteruit.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
achteruit , achteroet , achteruit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
achteruit , achtroet , bijwoord , achteruit
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
achteruit , achteruit , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Achteruitgang (via de achtertuin). 2. Erf achter het huis of de hoeve, achtertuin. Verkleinvorm achteruitje, Achtertuintje. | Ze hewwe ’n pittig achteruitje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achteruit , achteruut , achteruit; * ik mut èèm achteruut: ik moet naar de wc; achteruut kieken: terugkijken op het leven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achteruit , achteroet , de , 1. achteruitstand van de versnelling Zet hum in de achteroet (Oos) 2. achterkamer, achterhuis, schuur (wb), belendende keuken of kamer van het woonvertrek; ook: het achterhuis, en niet zelden voor deel (wm), zie ook achterkamer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achteruit , achteroet , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. achteruit Gao is een beetien achteruut! (Hol), Dat was een beste klap achteruut een tegenslag die een teruggang tot gevolg had (Klv), Ie kunt hier zó achteroet, de nesse over (Bei), Hij schrouwt as een katte die achteruut van de balken oftrökken wordt (Zdw), Hij kan tot tien an toou tellen achteroet (Anl), Laot de hond even aachteroet (Eex), Dat voor zaod moej wat inkörten, aans zakt e je achteroet (Bor), Hij was achteruut ekomen aan lager wal geraakt (N:Zuidwest-Drenthe), Oes volk woont wied achteroet (Bal), Hij is almit al knap achteruut eboerkt (Hgv) 2. terzijde, afgezonderd Leg het breien mar even achteruut (Eri), Bij goeie tied möt er wat geld achteroet um armslag te hebben veur een mindere tied (Sti), Hie is even achteroet doet even een tukje (Sle) 3. naar de wc Hij mus even achteroet (Bei), Hij kan gooud achteroet hij heeft een goede stoelgang (Gas), Hij kan niet achteruut hij heeft last van verstopping (Ruw) 4. het land op De boer is even achteroet (Bui), Zuw nog even achteroet naor de biest kieken? (Oos) 5. minder ontwikkeld, achtergebleven (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Hij is lang niet aachteroet niet op zijn achterhoofd gevallen (Row), Ik daacht: ‘Doe bins niet aachteroet wicht’ goed bij de tijd (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achteruit , achteruut , achteruit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achteruit , achteruut , achteruit.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
achteruit , aachterût , achteruit , Héij zètte zun'ne waoge sebiet in zun'nen aachterût, mér bótste'ner nog bónk boovenóp. Hij zette zijn auto direct in de achteruit, maar botste er nog plotseling bovenop.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
achteruit , aachteruut , bijwoord , 1. achterwaarts, terug 2. naar het achterhuis, naar het bedrijfsgedeelte 3. achteraf t.o.v. een doorgaande weg, vaak: een eind achter een huis, een boerderij gelegen 4. terug, naar een eerder, minder ver gevorderd stadium
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achteruit , achteruitjie , zelfstandig naamwoord , achteruitjies , corpulent zitvlak Meñs, wat worrie dik, je krijg al een hêêl achteruitjie Vrouw, wat word je dik, je krijgt al een behoorlijk dik achterste
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
achteruit , achteruut , (bijwoord) , achteruit. Achteruut rieden met de auto. Uitdr.: Ik mut effen achteruut ‘ik moet even naar de wc’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achteruit , âchteruit , verslechterd, naar achteren, terug
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
achteruit , achteruut , uitgang aan de achterzijde; achteruutsmieten, ophouden (met iets) (W.-Veluwe); achteruutleggen, opzijleggen, sparen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
achteruit , achteroet , (mannelijk) , 1. achteruit (versnelling) 2. achteruitgang, teruggang 3. in- en uitgang aan de achterkant , D’n auto inne achteroet zètte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achteruit , achteroet , achteruit , Achteroet of vuueroet gaon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achteruit , aachterèùt , bijwoord , achteruit; Henk van Rijen: alleej vurt, aachterööt - toe, ga achteruit; De Wijs – Ge zèt ’n aachteruit gezet menneke, ik zal jou wellus goed bestruive (verwennen) (20-03-1968)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
achteruit , achteroe~t , achteruit
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal