elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afvreden

afvreden , afvréden , zwak werkwoord , [weinig gebruikelijk] omheinen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
afvreden , afvréden , (zwak werkwoord) , omheinen, afrasteren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
afvreden , [ergens een hek(werk) omzetten] , ofvreen , (’zelfde als ofrikken), een vreengĕ (hek) ergens omzetten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
afvreden , ofvreen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = omheinen Ze mut de appelhof wel èven ofvrèen (Bro), Ik wil even een hoekien ofvreen um te heuien (Sle), z. ook ofrikken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afvreden , ofvrèèn , afrasteren. De weie goed ofvrèèn veurkump ruzie met de buurn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afvreden , ofvredigen , werkwoord , een afrastering aanbrengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal