elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baai

baai , baaitje , (onzijdig) , baaitjes , borstrok van baai, korte buis; men gebruikt dit woord, dat van maleischen oorsprong schijnt te zijn, nog al veel met toepassing op borstkleedingstukken, die rondom den middel afgesneden zijn; fig. zegt men: hij heeft op zijn baaitje gehad, hij krijgt regen op zijn baaitje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
baai , baoi , (onzijdig) , baai (stof).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
baai , baoj , baai.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
baai , baoi , baai (dik wollen weefsel)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
baai , bloemen van baai , Flores Verbasci. Bloemen van Wollekruid, van Toortskruid.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
baai , baoi , baai , baai, grof soort wollen stof. De kleur was over het algemeen blauw voor vrouwen en rood voor mannen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baai , baoi , baai (wollen weefsel)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
baai , baoj , baai (stof). Baojn borstrok.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
baai , baai , zelfstandig naamwoord , de; zeearm
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baai , baoi , baai , zelfstandig naamwoord , et; bep. kledingstof: baai
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baai , baoi , zelfstandig naamwoord , baai, grof wollen weefsel (vaak zwart aan de buitenkant en rood aan de binnenkant) De vrouwe die op de vloer gonge drooge een baoie rok en een haokmussie De vrouwen die op de vloer werkten droegen een grof wollen rok en een gehaakt mutsje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
baai , baaj , onderrok
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
baai , baaj , baoj , zelfstandig naamwoord , "zelfstandig naamwoord; baai; zowel de uitspraken 'baaj' als 'baoj' lijken voor te komen; En korte onderbroek laag klaor/ gin lange van wèèrm baai/ die ha ons Sjaan in de kaast geleej/ Ze zeej: «Tis ommers Maai» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Amaai, wènne maai...); Ze stonke nòr smoutolie, dè wèl, mar ze mòkten ok laoke èn ze mòkte flenèl. Èn rips, èn baaj, èn ok mesjèster. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); - WBD II.4. p. 855 - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „baai"": „Dubbelbreed , zwaar, jaeger of gekleurd weefsel, sterk geruwd en gevold. Ook zware katoenen flanel noemt men wel baai (molton)."" - baoj, K 183 = Tilburg; - Henk van Rijswijk - Baai: zware wollen stof met strijkgaren ketting en inslag, meestal in platbinding geweven. Na het weven gevold en sterk geruwd. De gebruikte grondstof was vaak van de wat mindere soort wol. Vroeger vooral geverfd met mekrap waardoor de typische roodbruine kleur ontstaat. Toepassing: rokken en goedkope bovenkleding. zie Jopperbaai: de zwaarste uitvoering van baai, waterafstotend gemaakt, meestal zwart en gebruikt voor werkkleding geschikt om door te werken bij slechte weersomstandigheden .WNT lemma BAAI I; znw. vr., en bij overdrachtelijk gebruik ook m .mv. baaien, voornamelijk ter aanduiding van verschillende soorten. In het Mnl. nog niet aangewezen; hd. boi, eng. bay (MURRAY 1, 713) en baize (a.w. 1, 629): die laatste vorm wordt verklaard als eene verminking van het mv. bayes. In Engeland werden de baaiweverijen overgebracht uit Frankrijk en Nederland, omstreeks het midden van de 16de eeuw. Den oorsprong vindt men in fr. baie, bij GODEFROY (1, 551) in eene aanhaling uit 1570, waar gesproken wordt van ”les baies et sarges façon de Beauvais”; men gelooft dat met baie eene stof wordt bedoeld die om hare bruinroode kleur (fr. bai, lat. badius) aldus werd genoemd. (...)  Verg. ook it. baietta, sp. bayeta, evenzoo namen van wollen stoffen. ; - Jemandt …, die met Sayen [zie sajèt], Bayen, ofte andere Leydtsche waren handelt, COSTER 466 [1619]. ; (...) In Zuid-Nederland ook overdrachtelijk, en dan m., voor: een baaien borstrok. ; WBD II:4 & Van Dale: Dik en grof wollen weefsel, op molton gelijkend flanel, meestal donkerrood, ook wel bruin, geel of blauw van kleur, waarvan onderkleren, vrouwenrokken , hemden voor zeelieden en boeren werd gemaakt .WBD II:4.855 - in Tilburg (K 183) genoemd in de toepassingen 'borstrokken' en 'rokken'; WNT BAAI - Benaming van zeker grof, op molton gelijkend flanel .zie baoj; zie raandbaaj; baoj; WBD baai (II:855), dik en grof wollen weefsel, op molton gelijkend flanel, meestal donkerrood, ook wel bruin, geel of blauw van kleur, waarvan onderkleren, vrouwenrokken, hemden voor zeelieden en boeren worden gemaakt (v. Dale) .WTT 2012 - het WBD geeft voor Tilburg (K 183) uitdrukkelijk de uitspaak 'baoj', niet baaj; WBD baojwèèver - baaiwever (II:942); WBD baojgetaaw / baojketaaw (II:946)- baaigetouw; WNT BAAI - Benaming van zeker grof, op molton gelijkend flanel."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal