elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baldadig

baldadig , baldaodeg , (bijvoeglijk naamwoord) , baldadig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
baldadig , baldaodĕch , baldadig.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
baldadig , baldaodig , baldadig, baldaog, baldorig , Ook baldadig (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), baldaog (Zuidoost-Drents veengebied), baldorig (Zuidoost-Drents veengebied) = baldadig De jeugd van tegenwoordig is veul baldaodiger as wij ooit wèest bint (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baldadig , baldaodig , baldadig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
baldadig , baldaog , baldadig. Wees toch niet zo baldaog jonge!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
baldadig , baldaodig , boldaodig, baldadig , bijvoeglijk naamwoord , steeds geneigd om op wilde of uitgelaten wijze verboden dingen te doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baldadig , baldaodig , (bijvoeglijk naamwoord) , baldadig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal