elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: barst

barst , [breuk] , bòrst , bòst , (mannelijk) , barst.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
barst , barste , baste , (vrouwelijk) , barst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
barst , bōrst , barst, spleet, scheur, in den vinger, de lip, enz. Kil. berst, borst = breuk, wat gebroken is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
barst , barst , in: mit ’n barst wat doen = in grooten haast iets verrichten; “ien ’n barst vōtvlaigen”= zich plotseling en snel verwijderen. Zie onder art. kōrrewoagen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
barst , barst , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie bart.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
barst , bart , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Barst. Door uitval der s ontstaan uit barst, dat later weer in gebruik is gekomen en de gewone vorm is geworden. || Der is ’en bart in dat koppie. Die barten in ’t ijs ben lastig bij ’et schaatsenrijden. – Zegsw. Met een bart, met een vaart, plotseling; alleen van windsverandering gezegd. In deze uitdr. hoort men nimmer barst. || De wind schoot mit ’en bart na ’t Noordoosten. November 22 had(d)emen savons een sware storm, eerst de wint uyten Suyden en liep met een bart W.-Noord-West, en gesciede veel scade, Journ. Caeskoper, 22 Nov. 1686. – In de 17de e. gebruikte men ook met een barst. || De Stormwind quam met een barst haer schielijk en plotseling overvallen, SOETEBOOM, Ned. Schout. 113. Vgl. zegswijzen als de wind barst los. – Zie barsten en bartvol.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
barst , barstĕ , barst.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
barst  , bers , berste , berske , barst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
barst , biöst , vrouwelijk , biöste , biöstien , b. barst. Zie ook: bast
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
barst , bùs , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bùste , bùsjen , barst
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
barst , gén barst , niets.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
barst , bäste , bässen , bässie , kloof, barst, omhulsel van pinda; * dikke bässen: dikke billen; pinda bässen: pinda doppen; bässen in de haande: kloven in de handen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
barst , barst , barste, baarst, baarste, borst , barsten , Ook barste (Zuidoost-Drents veengebied), baarst (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), baarste (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord), borst (Bco naast barst) = 1. kloof, barst, spleet Barsten in de lippen deej aluun op (Sle), Die boom is in die strenge winter kepot vroren, der zit een baarst in, door kuj zo’n haand in steken (And), Aj met dat koolde weer met water warkt, hej zo barsten in de handen (Pdh), (fig.) Ik viene der gien barst an niets (Noo) 2. schilfers op de hoofdhuid (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Hij hef aordig barst op het heufd (Dwi), zie ook barg II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
barst , bäste , zelfstandig naamwoord , barst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
barst , baaste , baste , zelfstandig naamwoord , de; barst, berst; bassien, et; kleine barst e.d., kleine baste
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
barst , borst , zelfstandig naamwoord , borste , borssie , barst ’k Heb zôô’n pijn in m’n hôôd, m’n kop borst bekant
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
barst , bärste , (zelfstandig naamwoord) , barst.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
barst , boos , boost , (vrouwelijk) , booste , beus(t)je , barst , Ein boos(t) inne roet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
barst , bèrst , baarst , zelfstandig naamwoord , barst, scheur; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): der is en bèrst (of: scheur) in de kan; WNT BARST, ook berst; baarst; Van Rijen (1998): barst
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
barst , bárs , bárste , berske , barst
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal