elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bazelen

bazelen , bazelen , bazen , droomen, hoorbaar droomen. (v. Dale: bazelen = ijlen, razen, onsamenhangende taal spreken.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bazelen , bazelen , bozzelen, bazzelen , (bázǝlǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Met blote voeten door het water lopen, tot de enkels door het water plassen, in greppels, verdronken land, enz. ’s Zomers een zeer algemeen jongensvermaak. || We hebben vanmiddag ors (heerlijk) ’ebazeld. Me moeder wil niet hebben, dat we bozzelen gane. Susanna, ’t schoonste Beelt, ... die wil ik eens ... in deeze Waterbaden zien baaslen in de stroom, en zo mijn lust verzaden, SLOOFF, Susanna 20. – Soms wordt bozzelen ook gebruikt voor met de handen in het water heen en weer gaan. || Je moete goed in zeepsop bozzelen, dat ze schuimt. – In W. Friesl. spreekt men van de aardappels ofbozzelen, ze in een emmer met water heen en weer stommelen, zodat het vuil er af gaat. – Vgl. verder bozzen en poezelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bazelen , [onberhoorlijk hard rijden (op een paard)] , baazĕlĕn , onbehoorlijk hard rijden met paarden.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bazelen , bazeln , baozeln, baezeln , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook baozeln (Noord-Drenthe, Pdh naast bazeln), baezeln (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. onzin praten, wartaal uitslaan Man wèes wiezer, ie bazelt (Hgv) 2. zeuren Zij bazelt er tot vervelens toe over dat die koppies ebreuken bint (Noo), Hij baozelt mie aal um de kop (Ros) 3. ijlen Die jongen van oens hef vannacht zo ebazeld; zul hij koorts hebben? (Dwij), Wat waaj vannacht an het bazeln praatte je in de slaap (Hav), zie ook bazen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bazelen , baezen , werkwoord , 1. ijlen, bazelen bij koorts, in de slaap, in een droom 2. onzin uitkramen, onsamenhangend praten 3. piepend of zagend geluid geven bij het ademhalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bazelen , bazele , brazele , brazeltj, brazeldje, gebrazeldj , onzin vertellen, zie ook wazele
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bazelen , baozele , zwak werkwoord , baozele - baozelde - gebaozeld , M bazelen; WBD III.1.2:221 'bazelen’ = ijlen; -geen vocaalkrimping; Ge baozelt gepraotte muziek! (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Merel’, 1939); WNT BAZELEN - freq. van 'bazen'. Eigenlijk: bevelen; bij overdrijving: onzin praten, beuzelen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal