elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bek

bek , bek , (voor: mond) in de Zegsw.: hōm (of: heur) is ’t spinrag ook nijt veur de bek wōssen = hij kan zijn woord wel doen, hij is niet op den mond gevallen. Ook Gron. maar voor: ’t spinrag ook nijt, gijn spinweb.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bek , bek , (mannelijk) , bekke , bek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bek , bek , onder de laagste klasse steeds voor: mond; op bek vallen = met het aangezicht op den grond vallen; ’n bek opsnieden = ruwe uitvallen doen onder een vloed van woorden: “Moar gommes, o, no moi je ais heuren, Hou ’n bek dat dou de boer opsnee”; hij stōn net of ’e mit de lul om bek sloagen was = hij stond geheel beteuterd; iemand ien bek zitten = brutaal tegenpraten; ook van kinderen of jonge personen die zich in een gesprek mengen, die willen meepraten, het zeggen van een ander willen verbeteren of aanvullen; ’n bek as ’n slop hebben, fig. = een grooten mond hebben; hij wōl heur veur de bek goan, moar zij wōl ’t nijt lieden = hij wilde haar kussen maar zij weerde hem af; ’t was bie bek of = bie bek om of (= bie de noad of) = het scheelde maar heel weinig, of, enz. de bek in baide hann’ (handen) hebben = voorbarig en aanmatigend zijn in ’t spreken, vooral van kinderen; zooveel als bekgau (zie aldaar), meest echter van groote menschen; Friesch: ’n bek hebben as ’n slagsweerd = as ’n scheermest = ook: – as ’n scheernslieper. Friesch: Hje het in bek as in skearmês. ’t Oostfriesche ’n snut as ’n schêrmest hebben, Meiderich: enn Schnûtt äsz en Schlachtschwerdt hewwe = zeer gebekt en scherp zijn. Vgl. Ps. 52: 4, zie ook Laurill. p. 86. (v. Dale: zij heeft eene tong als een scheermes = eene bitse, snijdende tong.) – Algemeen is: de blui in de bek hebben, van planten die den bloeiknop vertoonen. Zegswijs: doomnie, bran ’joen bektje nijt, ’t is kōffie van eerguster, spottend van lauwe koffie gezegd. Vgl.: grootbek = grootsnoete = iemand die onbeschaamd zijn meerdere tegenspreekt, of altijd brutaal is in ’t beoordeelen van anderen, alsmede: lafbek. Zie ook: an zetten, en: bekje, alsook Zeeman bl. 436.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bek , bek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In een pelmolen. Naam der uitstekende punten van de rijn (molenijzer), waarmee deze in de molensteen sluit. Een rijn heeft vier bekken; vgl. rijn. – Zie ook koebek, kraaiebek, leeuwebek, muggebekken, bebekt en bekkig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bek , bek* , zie ook bekkert *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bek , bek , gezicht. En dikkĕ bĕk, een dik gezicht; ĕn zeutĕ bek, een zoetigheidje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bek , bek , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bekke , beksken , bek. n bek too hòoln, de mond houden; aan n bek houwn, in ’t gezicht slaan; n bek geet oew as ne leg’nde henne t gat, je ratelt aan één stuk door; nen plear, nen striekrt, nen lik, nen smear an n bek, n bekmoal, een muilpeer; <
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bek , bek , m , mond Houde géj oewe groten bek mar ’s! Houd jij je grote mond maar eens! (neg.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bek , bek , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ’n bek as ’n bakkersoven (as ’n bergdeur, as ’n hooiskuur, as ’n darsdeur), een grote of brutale mond. – ’n Skerpe bek hewwe. 1. Scherp zijn in zijn uitlatingen. 2. Zeer kieskeurig zijn met proeven of eten. – ’t Mit ’n gekke bek zègge, het schertsend, bij wijze van grap zeggen. – Hai loit mit z’n bek open, gezegd van een gemakkelijke stoot bij het biljarten. – Je kenne ’n vette bek kroige, loop naar de pomp.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bek , bek , de , bekken , 1. mond, veelal grof De bek döt mij zeer (Zdw), Dei hef wel zo’n gladde bek (Vri), Hij hef zien bekkie niet op de beddeplaanke laoten liggen is goed gebekt (Dwi), Hai dee gien bek lös (Row), Hij hef een bek as een slof grote mond (Odo), ... as een scheermes scherpe tong (Pdh), Het gung hum an het bekkien of was te laat voor het eten (Sle), Hie löp met het mes dwars in de bek is agressief (Wee), Met de bek kan hij alles, maor de haanden staot hum overal verkeerd veur (Coe), Hij is plat op de bek vallen zowel lett. als fig. (Nor), Zij gaf heur va een grote bek (Zdw), Het was op het bekkien of kantje boord (Sle) 2. bek van dieren en snavel van vogels Het was warm, de vogels hadden de bek los (Bov), Het vie wil der gien bek anzetten wil het niet vreten (Sle) 3. voorwerpen, of delen van voorwerpen, die op een bek lijken Die haorhaomer hef een dunne bek (And), De bek van de bankschroeve (Erf), ...een grieper (Eco), ...een beitel (Eri), ...een eerappelschuppe (Ros), Een holten zaodschop kreeg een iezern bek van störtplaat (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bek , bek , 1. mond. Òlt oe bek ‘hou je mond’, een bek as een viswief, een bek as een skeermes ‘een brutale, scherpe mond’, een skärpe bek ‘id.’, Gunninks woordenlijst van 1908: Een bek opzetten ‘uitvaren’, Die stiet altied met d
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bek , bek , zelfstandig naamwoord , de 1. snavel 2. (van dieren) mond, muil 3. (vaak als ruw opgevat) mond van de mens 4. wat met een ‘bek’ wordt vergeleken (van gereedschap e.d.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bek , bek , z’n bek maar ’n douw geve, vertellen waar ’t op staat zonder eerst na te denken
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal