elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: benaming

benaming , bĕnamingĕ , in benamingĕ weezĕn, gezien zijn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
benaming , benaming , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze in de benaming weze, genoemd worden, onderwerp van gesprek zijn. | Hai is de leste toid puur in de benaming.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
benaming , benaming , benaoming, benaeming , benamings, benamingen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook benaoming (Noord-Drenthe), benaeming (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. naam Hoe het die kèrel ok al wèer, ik kan niet op de benaming kommen (Sle) 2. naamgeving Wat een raore benaoming veur een straot (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
benaming , benaeming , zelfstandig naamwoord , de; benaming
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal