elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: berk

berk , berke , (vrouwelijk) , berken , berk.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
berk , berke , barke , (vrouwelijk) , berken, barken , berk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
berk , berk , bark , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zekere boom. Het woord werd vroeger als bark uitgesproken, blijkens het meermalen voorkomende barkenhout, berkenhout. || Wortelen en tronken van Barkenhout, SOETEBOOM, S. Arc. 378. – Ook in O.-Friesl. spreekt men van barke, barkenboom en barkenholt (KOOLMAN I, 106).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
berk , börkĕ , berk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
berk , bièrk , [bĭęrk] , berkenboom
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
berk , boarke , zelfstandig naamwoord , boarkn , bùerksken , berk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
berk , bark , baark, barke, baarke, börk, börke, bork , barken , Ook baark (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), barke (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), baarke (Veenkoloniën), börk, börke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), bork (Zuidwest-Drenthe, zuid) = berk Het is een mooi gezicht die barken an de kant van de weg (Wei), Het was in de bos miest barken (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
berk , birk , birke, bark, börk, burk, burken, bark-, burk-, ber , zelfstandig naamwoord , de; berk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
berk , bärke , (zelfstandig naamwoord) , berk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
berk , bark , baarke , barke, bärke, birk, birke , berk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
berk , bèèrk , zelfstandig naamwoord , berk; Dirk Boutkan: (blz. 22) bèèrk, naast bèrk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal