elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beroersel

beroersel , breursĕl , beslag (voor pannekoeken).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
beroersel , beröörsel , vrouwelijk , beslag, bijvoorbeeld voor pannekoeken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
beroersel , beruersl , zelfstandig naamwoord, onzijdig , beslag
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
beroersel , bereursel , berèursel , bereursels , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook berèursel = beslag, deeg Het bereursel veur de joskoeken mösse non klaormaken, wicht (Pdh), Ik wil pannekoeken bakken, ik heb het bereursel al klaor (Stu), Wat olde koffie deur het bereursel, dan wordt de pannekoeken mooi broen (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beroersel , bereursel , beruursel , zelfstandig naamwoord , et; beslag, bijv. bereursel maeken veur pannekoeken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal