elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezoek

bezoek , bĕzeuk , bezoek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bezoek , bezuu:k , personen die op bezoek komen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bezoek , bezuuk , bezoek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bezoek , bezuuk , het , bezuken , Var. als bij zuken = bezoek Wij kregen onverwachte bezuuk (Oos), Dominee kwam bij de zieke vrouw op bezuuk (Coe), ...op bezuik (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezoek , bezuuk , bezeuk , zelfstandig naamwoord , et 1. het bezoeken of bezocht worden 2. de mensen die op bezoek komen, zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezoek , [bezoek] , bezeuk , (onzijdig) , bezoek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezoek , bezuuk , zelfstandig naamwoord , bezoek; WBD III.3.1:37 'bezoek', 'visite' = bezoek; WBD III.2.2:5 'mina is op bezoek' = menstrueren; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEZUUK - bezoek, Fr. visite
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bezoek , bezäök , bezoek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal