elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bietebauw

bietebauw , biestĕbeu , boeman. Daor komp de biestĕbeu an, zegt men tegen stoute kinderen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bietebauw , bietebaawe , zelfstandig naamwoord, meervoud , van oorsprong betreft het een zelfstandig naamwoord: bietebauw; WNT – lemma BIETEBAUW - In toepassing op verschijnselen die vrees aanjagen. znw. m., soms onz. Een woord als boeman, bullebak en derg.: een spook waarmede kinderen worden bang gemaakt. Men vindt ook bijtebauw, maar het is niet waarschijnlijk dat men hier eene samenstelling met bijten moet aannemen, althans DE BO [1873] geeft bijdebauw, bijbauw, biebauw, pikkebauw: uit enkele dezer vormen kan bijtebauw door volksetymologie zijn ontstaan. Naast bietebauw zijn nog andere vormen aan te wijzen, b.v. bieteman, en waarschijnlijk ook bietebeer (zie beneden). In het Engelsch heeft men in den zin van spook een woord bug, dat van Keltischen oorsprong schijnt te zijn, en daarnaast bugaboo, dat men houdt voor de Engelsche vervorming van een Keltisch compositum, alsmede bugbear. Eene zekere gelijkenis tusschen bietebauw, bietebeer en bugaboo, bugbear is niet te ontkennen. Verschillende synoniemen van bietebauw vindt men onder Boeman (Dl. III, kol. 149) .Cees Robben – Den felle wilde wend/ zôô gromt en bietebaauwt (19600909)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal