elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bij zich

bij zich , bĕzik , afzonderlijk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bij zich , bèm , voorzetsel , bij zich, bij me. 1. Samentrekking van “bij hem”, bè’m. Wè hèttie toch wir ’n lèkker mèdje (meidje) bèm. 2. Ook in iets andere vorm voor “bij me”. Ik hègget bèmme. 3. Bij haar: Ze hègget bè d’r of bè’r. De samentrekking is een der typische kenmerken van het Middenbrabants. Zie ook: bènde.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bij zich , bezik , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe) = apart, afzonderlijk Slaop ie bij elkaar of bezik (Hol), Die beiden stokken laand ligt bezik (Eli), Wij handelt niet bezik, wij doe alles in de maande (Bro), Leg dat mar bezik terzijde (Stu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bij zich , bezik , bi’jzik , bijwoord , alleen, apart staand, niet bij de anderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal