elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijzinnig

bijzinnig , [krankzinnig] , bijzinnig , krankzinnig; ook = ijlend, ijlhoofdig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bijzinnig , bijzinnĕch , een weinig krankzinnig.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bijzinnig , biejzinnig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , onnozel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bijzinnig , bijzinnig , bijvoeglijk naamwoord , (dva) = 1. krankzinnig 2. ijlhoofdig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bijzinnig , bi’jzinnig , bijvoeglijk naamwoord , buiten zinnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal