elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bil

bil , bil , dij, deel van het menschelijk lichaam tusschen de knie en de bil, ook: ’t dikke van ’t bijn; ook in Zeeuwse zegswijs: ’t lood in de billen hebben = niet meer kunnen werken, af zijn; aan de jacht ontleend. – wie zellen ijs zijn wel de blankste billen het, eene zeer gewone uitdrukking voor: nu zal het blijken wie van ons de baas zal zijn; vooral wanneer het de twee laatste mededingers in een wedstrijd betreft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bil , bil , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zegsw. Nou zelle we zien wie de blankste billen het (b.v. wanneer alle spelers hun kaartenblootleggen”, om te bepalen wie het spel wint). De uitdr. is ook in Friesl. bekend; zie HALBERTSMA 285. || Te Krommenie zegt men; zien wie de blankste billen heeft voor: zien wie het beslissende spel wint (wanneer elk der spelers één of evenveel spellen heeft gewonnen). Vgl. ook broekie-val. – Een blotebillen-gezicht, een melkmuil. Zo ook elders. – Een blote-billen-smaak, een kinderachtige smaak in de mond. || Kom, ik zeI er maar ientje pakken (een bord nemen), om die bloote-billen-smaak weg te krijgen. – Zie nog een zegsw. op donker. Vgl. wrikbillen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bil , bil , dij. V, 9.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bil , billen , Wî zö̀lt is z(i)een, w(i)ee de blankste billen (h)ef, d.i. wie ’t wint, wie het het best kan.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bil , bille , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , billn , billken , bil. Wee’t de blaankste bill’n hef, wie de baas is, wie ’t hoogst kan bieden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bil , bil , zelfstandig naamwoord de/’t , Ook: Dij, bovenbeen. Vgl. Fries bil. Zegswijze op ien bil zitte, op hete kolen zitten, gereed zitten om te vertrekken. Meervoud bille. Zegswijze moet ik je bille bloôt zoeke, moet ik je een pak voor je broek geven. – De bille zelle bloôt moete, de zaak zal in de openbaarheid moeten komen, uitgezocht moeten worden. – Mit de bille deur de broek weze, failliet zijn. – We zelle es zien wie de blankste bille het, we zullen eens zien wie de beste, de sterkste is, wie aan het langste eind trekt. – Wanneer smakke ze de bille bai mekaar, schertsend voor: wanneer trouwen ze.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bil , bil , zelfstandig naamwoord de , Dikke tak, dik stuk hout. Uit Frans bille. | We moste de dikste bille van die wilg maar ofzage.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bil , bil , achterwerk van de koe.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bil , bille , meervoud , hamers waarmee de molenstenen gescherpt worden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bil , bil , zelfstandig naamwoord , dij (KRS: Hout)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bil , bille , bulle , bullegie , bil; blankste billen, kieken wie de blankste billen hef: kijken wie de beste prestatie levert.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bil , bil , bille , billen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bille (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. bil Hij hef gien bil meer in de boks is mager (Pdh), Kiender, die willen kriegt wat veur de billen (Hgv), Kinder dei nait willen kriegt wat veur de billen (Vtm), Even kieken, wel de blankste billen het wie gelijk heeft (Nor), Mit de billegies bloot mutten met de boel voor de dag moeten komen (Flu) 2. dij De billen trilden hum onder de kont (Anl), Wat hef dat mai dikke billen (Hol) *Wel zien billen braandt, mot op de blaren zitten (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bil , [werktuig voor bij het billen: bilijzer, bilhamer] , bil , hamer om molensteen te scherpen. zie ook bilhammer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bil , bille , dij
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bil , bille , bilhamer (hamer om de molensteen te scherpen).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bil , bille , zelfstandig naamwoord , de 1. dijbeen 2. bil (van het achterwerk; ook van dieren)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bil , bille , uitdrukking , We zelle wel zien wie de bille blankste heb Het komt wel uit wie gelijk heeft; ook: Het komt wel uit wie eerlijk is
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bil , bille , bips
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bil , bille , (zelfstandig naamwoord) , bil.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bil , billekes , billetjes , De achttiejn billekes. De achttien billetjes. , Het huis waarin negen meiden woonden, werd in Nuenen zo genoemd.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bil , bil , bille , 1. bil; 2. dij, bovenbeen; billen, wortels die boven de grond uitsteken; bilkalf, kalf met stevig achterdeel, geschikt om vergemest te worden (O.-Veluwe); billetikker, 1. lange zwarte jas; 2. horloge dat in de broekzak gedragen werd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bil , bil , zelfstandig naamwoord , dij (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bil , bil , zelfstandig naamwoord , dijbeen; bil; WBD koej meej goej/ mooje bille - koe met mooie billen, ook genoemd: 'schôon gedraajde', 'vierkaante' of 'meej goej aachterstèl'; WBD dikbil, dubbelbil, dòbbelbil - dikbil (kalf met dikke billen); WBD bil - paardebil, ook 'broek' genoemd; WBD III.1.1:168 'bil' = dij
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal