elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bloeisel

bloeisel , blujsĕl , bloesem.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bloeisel , blööisel , bloeisel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bloeisel , blùejsls , zelfstandig naamwoord , bloesem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bloeisel , bluisel , het , bluisels , (Zuidoost-Drents zandgebied): Var. als bij bluien = bloesem In de bluuisels van lindebomen zit een boel hönnig (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bloeisel , bluuisel , blujsel, bluisel , zelfstandig naamwoord , et; bloeisel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal