elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boekweitebrij

boekweitebrij , bokkendenbry , Boekwyte Bry.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
boekweitebrij , bokkenenbrij , Boekweitenbrij, (vergel. balkenbrij); het woord is eene samentrekking of liever verbastering van boekweitenbrij, elders boekendenbrij, bij Jan Vos in zijn vuile klucht van Oene, – in het oude gemeene Amsterdamsche dialekt geschreven – bokkende brij, als: ‘....... alle menschen niet egeven is, bokkende Bry mit Vorken te eten.’ (Alle de Ged. v. J. Vos, 1726, II, 248.) Desgelijks heeft Hooft in zijn Ware-nar, in dat zelfde dialekt gesteld, voor boekweiten koeken, boekende koeken, bij v. ‘ʼt Was zukken zuinigen wijfjen, zy bakte boekende koeken mit smeer, / Mit schijfjens van koolstruiken, in de steê van appelen en krenten.’ (Uitgave Bilderdijk, I, 241) en Langendyk, in zijn: ‘Spiegel der Vaderlandsche kooplieden;’ Ged. 1760, II, 270: ‘...... Als men eenigen tyd had gewagt, wierden ʼer geen andere schotels opgedischt dan met gort, water en bry, en boekende koeken.’ Voor boekweiten pannekoekjes vind ik bij Hofdijk, het Nederl. volk, 1856, blz. 387, in eene aanhaling uit Bredero: boekedeflensies, als: ‘...... onse jongen en kent niet uytstameren so vuel had hij te wauwelen / An sen vijgen, an sen nueten, an sen boekedeflensies,’ enz. Bokkent, voor boekweit, hoort men te Breda, volgens Hoeufft, blz. 78.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
boekweitebrij , [boekweit met karnemelk] , bookweitĕnbrijĕ , boekweit met karnemelk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
boekweitebrij , boekweitenbri’j , boekweitebri’j, boekweitbri’j , zelfstandig naamwoord , de; boekweitebrij, boekweitpap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal