elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonkelaar

bonkelaar , bonkelaar , (bònkəlaar, met klemtoon op bònk) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In een molen. Een liggend wiel met dollen, waarop de beweegkracht overgebracht wordt door een staand wiel met kammen. || 27 Mispele dollen tot (den) bonkelaar, Hs. invent. papiermolen (a° 1774), verz. Honig. – Vgl. bovenbonkelaar, onderbonkelaar. In Ned. Wdb. III, 360 en de daar aangehaalde voorbeelden worden bonkelaar en schijfloop ten onrechte met elkaar vereenzelvigd. Beide raderen verschillen van bouw en werking. Een schijfloop bestaat uit twee liggende schijven, waartussen een kring van houten staven is besloten. Een bonkelaar verschilt in niets van een kamrad; alleen is de ligging horizontaal. De dollen zijn houten blokjes, die verticaal door het liggende rad worden gestoken, evenwijdig met de rand, en waarin de kammen van het staande wiel grijpen. Zie Groot Volk. Moolenb. I, pl. 22 en II, pl. 2.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bonkelaar , bonkĕlaar , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal