elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bonker

bonker , bōnkêrt , zie: bōnkêrg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bonker , bonker , (bònkər) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Meest in verkl. bonkertje. Kort duffels jasje, jekker. || Wel jongen, heb-je ’en nuw bonkertje an? Jan krijgt ’en bonkertje en ’en krol (muts) voor zijn Sintereklaas.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bonker , bonkĕrtien , duffelsch jasje, V, 8.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bonker , bonker , korte herenjas van nogal zware stof
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
bonker , bonker , bonkerd , bonkers , 1. dik, zwaar paard Den bonkerd kan de ploeg wal trekken (Sti), Belgen waren zwaore bonkers van pèerde (Bei) 2. dikke manchester jas De dikke striepkoren jassen, die de törfgravers dreugen - niet in het wark, maar ’s aovends en ’s morgens onderweg - heette bonker (Coe), zie ook bonk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonker , bonker , de , bonkers , (veend.) = persoon, die de bonklaag verwijdert, z. ook ofbonker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonker , bonk , bonkerd, bonkerd , bonken , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook bonker, bonkerd (Zuidwest-Drenthe) = bonker, jekker Het is zo kaold, trek de bonk mor an (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bonker , bonker , bonkerd, bunker , zelfstandig naamwoord , de; bonker: bep. korte, dikke herenjas, soort jekker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bonker , bonker , bokker , zelfstandig naamwoord , bonkers, bokkers , bonkertie, bokkertie , [Phk] dikke jekker (korte jas om in de kou mee te werken) Ook bokker [Gwd]
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bonker , bonkerd , (zelfstandig naamwoord) , iets dat groot is. Een bonkerd van een kerel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bonker , bonkertje , zelfstandig naamwoord , korte overjas (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal